Toespraak Jan Koopmans
(anderen volgen mogelijk)

Hans,

toen we nog onbekende Hoogvlieters waren kwamen we elkaar al tegen, jij en ik op de Koolvisweg.
Rare man vond ik je maar, niet mijn type en je handelde ook nog in auto’s, dus dat kon nooit goed zijn.

Maar langzaam gingen we wennen aan elkaar en ik kocht zelfs een stoere witte Opel bij je. Je deed niet moeilijk, ik mocht hem in drie keer betalen.
Vanaf dat moment zagen en spraken we elkaar meer, ook omdat onze kinderen wel eens een echte ‘Eindhoven wagen’ wilden hebben, want die ik bij je had gekocht wilde maar niet kapot, tot grote gruwel van jou, dus moesten je auto’s wel goed zijn.

We gingen, net als je lieve Manny, steeds meer aan de weg timmeren en beide werden we min of meer bekender in dit durp, en dat terwijl we allebei uit een andere plaats vandaan komen.
Ik sla een flink stuk over want het zou te lang gaan duren alles wat we hebben meegemaakt te verhalen.

Hans de autohandelaar, maar soms vroeg en vraag ik me af of dat wel je hoofdberoep was, ik ken je, als ik eerlijk ben, als een heel ander persoon ook heel goed.
Ik ken je lieve Hans als man die humor hoog in het vaandel heeft staan en als mens die van een feesie houdt. Je was zanger, entertainer, weldoener en ook vooral organisator van dingen die mensen hielpen. Je sponsorde, al of niet stiekem, klubjes of verenigingen, je ‘matste’ mensen als ze eigenlijk een auto niet konden betalen.

Hans, jij kon soms overkomen als een norse brompot die niemand de lengte gaf, maar achter die glimmende schedel van je huisden veel liefdevolle gedachten, die heel erg veel mensen blij hebben gemaakt. En dan nog iets Hans, mijn omgeving weet dat ik nooit vriend tegen iemand zeg, want vrienden zijn onherroepelijk je maatjes. Jij was de enige uitzondering, jou noemde ik mijn vriend, niet zomaar een vriend, maar mijn enige echte. Nee, we ‘knuften’ niet, maar we begrepen elkaar verdomd goed, jij voelde mij aan en ik vaak jou. Soms gaf ik je een tik op je kale kop, voor mij was dat een fijn gevoel, een teken voor mij dat ik je vertrouwde.
We hebben in het muziek gebeuren onze harten kunnen ophalen, we organiseerden apart van elkaar dingen, maar ook samen.
Je garage was een ontmoetingsplek geworden voor een breed circuit aan mensen die iets met je te maken hadden, van ‘beun de haas’ tot kapiteins van een stoomboot en van topmuzikant tot straatkrantverkoper.

‘s winters stond je erwtensoep op het menu, opvallend waren dan de vele witte wagens met die vreemde strijping voor je deur. Ik kwam ook vaak een ‘bakkie’ doen bij je, soms kwam het m’n broekspijpen uit, maar ja, eenmaal bij jou aangeland ging je niet meer weg.
Ik heb best gezien vriend, dat je geen 18 meer was en soms moe, ik heb gezien hoe je toeleefde naar 29 september, de avond dat je voor de tsunami weeskinderen zomaar even vijfduizend euro bij elkaar bietste.
Ik kwam de maandag voor je vertrek naar je rustplaats nog even een bakkie doen, je was moe, je had griep zij je, maar toch maakten we diezelfde avond nog ons radioprogramma ‘De Vrienden’. Natuurlijk moest je weer zonodig je zorgen over je gezondheid verbergen, ja Hans, je had het zo koud en trok een dikke jas aan en zette een Unox muts op terwijl wij weg zaten te zweten. Je spotte met de situatie, typisch Hans zullen we maar zeggen. We hebben de opnamen voltooit, maar je zat niet lekker in je vel, je wachtte op een oproep, dat herkende ik wel.

We hebben het nog over je benefietavond gehad, wat was je gelukkig dat er veel publiek kwam, wat was je trots op al die artiesten, vaak je makkers of meer. Je kon zo blij zijn als je mensen gelukkig kon maken, dan was je weer even een ‘kleine jongen’. Andre Hazes was je voorbeeld, je zou hem zo graag eens hebben willen ontmoeten, daarom ging je soms eten in Vinkenveen bij Wong, want Andre kwam daar ook, helaas, net niet als jij er was.

We hebben gezien hoe kapot je was toen Hazes overleed, jij was van slag, je was een grote vent met weggeduwde tranen. Hans, je was een mens zoals er maar weinig van zijn, je kwam op voor je handel en gezin, maar nog veel meer voor de mens in nood, of dat grote of kleine nood was maakte je niet uit.

Nu staan we hier in een aula, je hoort hier eigenlijk nog helemaal niet te zijn. Niemand kan je missen, je Manny niet, je dochter Mandy niet, maar ook je kleinmormels niet. Maar ook Wij, Hoogvlieters die samen met jou de inspiratie vonden om goeie en leuke dingen te doen zullen nu vaak grijpen naar iets ongrijpbaars.
Toch heb je ons veel geleerd, humor, norsheid en een warm sociaal hart gaan goed samen, dat heb jij ons allen laten zien Hans.
Je mag nu uitrusten, zonder pijn, niks geen angsten meer, niks geen zorgen. Ik weet beste vriend dat je wel uit beeld bent, maar meer dan ooit aanwezig zult zijn. Wat jij hebt opgebouwd zullen we proberen te koesteren en als het kan op verder bouwen.
Jij was mijn grote vriend, maar geloof me Hans, je was de grote vriend van velen, vooral van de ‘kleine jongen’ die het moest hebben van mensen zoals jij.

Je lichaam kan rusten, maar je zult met je kale koppie altijd bij ons blijven.

Jan Koopmans